hit
counter

deur2

Elke eerste zondag
van de maand 
-
Lutherse kerk
Oudegracht 187
Alkmaar

Inschrijven nieuwsbrief

U kunt zich hier inschrijven op onze nieuwsbrief.

Laatdienst 4 februari 2018

Twee keer kiezen

Wie droomt van een betere wereld, staat twee keer voor een keuze
Bij Genesis 11,27-12,5 en 22,1-19

Inleiding

Iemand schreef eens: je kunt de Bijbel op veel manieren lezen, alleen op één manier niet, en dat is letterlijk. En inderdaad, de taal van de Bijbel is die van het hart, de ziel, taal diep uit ons binnenste opkomend – en daarom lees je de Bijbel zoals je een gedicht leest of een roman: niet letterlijk, maar je afvragend waar het nu eigenlijk over gáát.
Zeker vanmorgen is dat zo, we lezen een verschrikkelijk verhaal, dat van Abraham die zijn zoon Izaäk moet offeren. Als je dat verhaal letterlijk leest, dan zou het gaan over een vader die zijn zoon dood zou moeten maken. Daarover gaat het natuurlijk niet. Vaders die dat werkelijk zouden willen, of denken dat dat moet van God, die zijn ziek en moeten naar de dokter.
Dus letterlijk lezen we dit verhaal niet – maar hoe dan wel? Als een tweede moment op de geloofsweg van de mens, stel ik voor. Als een tweede keus die je moet maken. Er is ook een eerste keus, die is bekender – maar die tweede is er ook, en vanmorgen komen ze allebei aan de orde.
Twee keuzes dus, voor een mens die droomt van een betere wereld: daarover gaat het vanmorgen.

Overweging

Het is waar, het zou heel wat rust geven als je kon zeggen:
ik ben gewoon natuur zoals alles om mij heen natuur is,
ik hoef daar alleen maar in mee te bewegen!
En je bént ook natuur vanzelf.
Als het donker is en de zon verdwenen ga je slapen,
is het weer licht, dat heerlijke licht van de zon, dan sta je op,
je beweegt mee op het ritme van dag en nacht.
En van weken vervolgens, maanden, seizoenen –
seizoenen die je zelf ook nog hebt:
elk mens z’n lente en zomer, z’n herfst, en tenslotte z’n winter.
Mét alles om ons heen zijn ook wij natuur inderdaad.
En daarom, wat zou je je druk maken?
Alles komt zoals het komt, het gaat zoals het gaat,
en wat kún je ook helemaal – beweeg erin mee, dat is het beste.

Het is waar, zoiets geeft rust – en niet voor niets had Terach,
de vader van Abraham, het zo gedaan, het was zogezegd zijn geloof.
Een geloof dat hem rust gaf, hij kon zich neerleggen, hij voelde zich thuis.
Toch, op een dag was hij aan het twijfelen gegaan:
ik heb wel m’n rust zo, dacht hij, maar is rust dan alles?
Hij had wel gezien: er is een hoop narigheid ook in het leven,
en moet dat maar blijven zo?!
En hij vertrok, uit Ur der Chaldeeën waar hij toen woonde. Een veelbelovend begin!
Maar even verderop, in Haran, strandde hij al weer.
Dat werd z’n nieuwe stek, en daar bleef hij voortaan.
Voorbij z’n twijfels, voorbij dat nieuwe geloof dat er aan zat te komen.

Bij zijn zoon, Abraham, was dat anders.
Hij twijfelde ook, maar bij hem ging dat níet meer voorbij.
Niet dat dat oude geloof nooit aan hem trok meer,
daarvoor zat het toch te diep – dat hebben we blijkbaar.
Maar dat andere had hij óók, en dát zou hem niet meer verlaten:
dat, als je alleen maar doet wat ‘natuurlijk’ is, dat dat helemáál niet het beste is!
Ja, je hebt je rust zo, maar wordt het op die manier béter?
Want dat was hem gaan bezighouden: dat het beter moest kunnen hier.

En dát, die ‘stem’ – zo noemde hij het – die verliet hem niet meer.
Het was de stem van, eenvoudig, een ander geloof.
Dat zoiets zei als: ‘Je bent natuur, zeker, maar natuur die mee kan gaan doen
in een geschiedenis; de geschiedenis naar iets beters.
Waarom je neerleggen bij alles wat ‘nu eenmaal’ gaat zoals het gaat?’

Waarom je neerleggen? Nouja, misschien omdat dat zinniger is.
Want kríjgen we het wel beter hier?
We kúnnen steeds meer ja, maar meer van het kwade óók.
Dat geloof dat het beter kan worden, per saldo, hoe realistisch ís dat?

Tja, weten we niet inderdaad, het is wat je noemt een geloof.
Net als dat natuurgeloof, dat is ook een geloof.
En een leven lang dan ook gaat het bij ons heen en weer tussen het een en het ander.
Tussen dat natuurgeloof en de rust die dat geven zou,
én dat geloof van Abraham, met, dat moeten we toegeven, alle onrust vandien:
je breekt op, en waar je naartoe gaat, je weet het gewoon niet.
Tegelijk, je weet wel waarvoor je leeft nu: voor dat betere.
‘M’n dagen en nachten, m’n seizoenen, m’n hart verstand handen, allemaal natuur,
maar allemaal voor dat betere!’ Hij kreeg wél een doel zo, Abraham...

Het is de eerste keus die je maakt.
In plaats van dat geloof dat ‘alles nu eenmaal gaat zoals het gaat’,
kies je ervoor te geloven dat het beter kan hier.
En met Abraham breek je op – en sta je voor de volgende keus.

Want hoe was het gegaan?
Die Stem die gezegd had, ‘het kan beter’, die had eraan toegevoegd:
‘Ik weet een land, Abraham, ik laat het je zien,
en er komt een volk, het komt uit jou en Sara voort,
en in dat land en met dat volk gaan we het uitproberen, dat betere.’

Nou, dat land, met enige omwegen, dat was er gekomen.
Maar dat volk, dat viel niet mee.
Sara was onvruchtbaar, en zij allebei werden ouder en ouder.
Op een gegeven moment dacht Abraham: God kan dat wel beloven, van dat volk,
maar wórdt het zo wel wat, moet ik niet zélf iets doen?
En toen had ’ie gedacht, en Sara had hem dat al gesuggereerd, hij had gedacht:
ik moet naar Hagar, de slavin van Sara,
ik moet naar Hagar en bij haar dat volk dan zelf maar ‘maken’.
Dat was de tweede keus waar ’ie voor stond.
Hij wilde geloven in dat betere dat komen kon, dat was het eerste,
maar moest hij niet zelf ook gaan zorgen dat dat betere er kwám eenvoudig –
het tweede.

Enfin, er kwam een kind inderdaad,
Ismael heette de jongen, kind van Abraham en Hagar, de slavin van Sara –
er kwam een kind, en uit dát kind, vonden Abraham en Sara,
uit dat kind moest dat beloofde volk gaan voortkomen.
Later kregen zijzelf, Abraham en Sára, toch óók nog een kind, Izaäk.
Dat was wonderlijk, moest Abraham toegeven,
zij beiden zo oud al, en Sara onvruchtbaar nota bene – wonderlijk...
Waarop hij moest toegeven, dat ook, hij kon er niet omheen,
hij moest toegeven dat hij dat volk en die betere toekomst van God,
dat hij dat kennelijk toch niet hoefde te máken, zelf.
Daarin had hij zich vergist...

En of hij dát begrepen had, dát werd hem later nog eens uitdrukkelijk gevraagd,
door die Stem van het begin.
‘Abraham, dat volk, die betere toekomst van mij, wat dacht je:
moet je dat zelf organiseren, gewoon: zorgen dat die toekomst er kómt –
of ligt het toch anders?
Stel, Abraham: Izaäk, jouw zoon. Wat dacht je, ‘heb’ je die,
om daarmee die toekomst te maken dus, of is die zoon...
is die van mij, en zorg ík wel, met hem, dat die toekomst er komt?
En daarom, Abraham, kun je dat bij mij láten, die toekomst?
Kun je hém, Izaäk, bij mij laten, hem ‘offeren’ als het ware,
afzien dus van het idee, het geloof, dat jíj met hem die toekomst zou moeten maken?
Erop vertrouwend dat ík, met hem, die toekomst wel zal maken? Kun je dat?’

Die vraag doet er nogal toe.
In alle eeuwen zijn er gelovigen geweest die zeiden: ‘Die betere toekomst,
die moeten wij zelf toch maken, iemand anders doet dat niet voor ons!’
Ze hadden hun idealen, en die wilden ze eenvoudig verwezenlijken.
En zoals dat dan gaat, daar kwam een hoop ellende van.
Bij christenen kwam er het geweld van de inquisitie bijvoorbeeld,
en van wederdopers, en nog zo veel meer.
De joden hadden hun geweld rond zeloten en vermeende messiassen.
Communisten, ook idealistisch, hadden hun strafkampen,
en schrijven een geschiedenis van miljoenen doden.
En net zo bij moslims, met vormen van jihad waar men
datzelfde oude liedje zingt: ‘Die betere wereld, die moeten we máken!’ –
en vervolgens wordt er gemoord en afgeslacht.
Dat geloof in iets beters, met andere woorden, het is spelen met vuur eigenlijk.
Binnen de kortste keren gaat dat geloof vóór mensen,
en dan is het geweld op geweld en gaat het verschrikkelijk mis...

En daarom – heeft Abraham dát begrepen? – hoe dan ook, een gelovige vandaag
begrijpt het in ieder geval: je moet in iets beters geloven, natuurlijk;
als je je ogen open hebt: de wereld vráágt er eenvoudig om!
Maar dat betere organiseren domweg, het ‘neerzetten’ naar je eigen ideeën,
nee, dát alsjeblieft niet, dan maar liever bedenken:
die betere toekomst, die is voor Gód – Izaäk is voor God...

Maarja, wat dan wel? Iets wat dichterbij is, meer bij de dagen van nu.
Voor God is de toekomst, en wie weet is die groots – een betere wereld –
voor mensen zijn de dágen,
van nu, morgen, een klein stukje vooruit hoogstens – maar dát alleen: dagen.
En in die dagen zijn er twee dingen die moeten gedaan – vond Israel en Jezus net zo.

Het eerste is: God eren.
Dat is zoiets als: alles hier – de aarde, de mensen, wát ook dat er is –
het heeft z’n eigen geheim en daar blijf je van af, je weet je plaats.
Weet je plaats, dat is het eigenlijk.
Wie God eert, weet z’n plaats, wordt terughoudend, gaat op grenzen letten.
Die moordt ook niet bijvoorbeeld.
Wie God eert, sterft liever zélf, voor z’n idealen, als dat zou moeten,
dan dat een ander erom te doden...

God eren, dat is het eerste. En het tweede: je naaste liefhebben.
Zoiets als: naast hem of haar blijven, altijd, het is er een zoals jij.
Die ander doen daarom wat jij zou willen dat jóu werd gedaan.
Zoiets pakt weldadig uit in de onderlinge omgang – en wat een winst
bracht het niet ook bij de bestrijding van ziekten, armoede, onrecht - -
door een ander eenvoudig te gunnen wat je jezelf gunnen zou...

Hoe dan ook, dát alleen:
van dag tot dag je plaats weten, vóór God en naast mensen – dat is het.
En dat is genoeg? Hoe ver kóm je daarmee, voor die betere wereld van ooit?
Je komt, vertellen bijbelverhalen dan, zo ver als een zaaier.
Die weet zeker: ik héb zaad – maar het is maar zaad.
Wat ervan opkomt, hoe het uitpakt, dat is niet aan mij –
dán ben ik toch ook maar een mens, dat is er zo-een
die zich bevindt ergens tussen de dieren en de engelen.

En ja, dat klopt.
Dieren zijn we niet, die volgen hun natuur alleen. Dat voelt vast prettig,
maar voor ons mensen is dat te weinig, we willen naar iets beters.
Tegelijk, we zijn óók geen engelen, en zeker geen goden;
dat betere máken, dat gaat te ver, dat doet alleen God.
We zijn mensen – en daarom geloven we in iets beters, zeker,
maar voor dat betere zááien we alleen, en hopen op oogst, dan...

En dát is het geloof, begrijp ik het goed,
waarin Abraham ons voorgaat, en Jezus net zo.
Enthousiast over dat betere dat komen kan, we zijn immers ménsen!
Maar wars tegelijk van fanatisme en geweld – we zijn tenslotte ook maar mensen.

Dat ze in dát geloof ons meekrijgen, dat geve ons God.
Amen

Alkmaar, 4 februari 2018. Jan C. den Hertog

4 maart:

Twee keer keizen – wie droomt van een betere wereld staat twee keer voor een keuze.
Zo lees ik het in het verhaal van Abraham, de ‘vader van alle gelovigen’. Hoe hij ervoor kiest het geloof dat hem vertrouwd was los te laten (Genesis 12). Maar hoe hij daarna nog een keer moet kiezen: hij zou zijn zoon moeten ‘offeren’ (Genesis 22). Verhalen die, niet letterlijk gelezen (zoals religieuze teksten dat willen), ons uitnodigen: laten we ménsen zijn, en dromen dus – maar laten we ook niet méér dan mensen zijn.

Volgende viering

Twee keer kiezen

Laatdienst 4 februari

wie droomt van een betere wereld staat twee keer voor een keuze.

Zo lees ik het verhaal van Abraham, de ‘vader van alle gelovigen’. Hoe hij ervoor kiest het geloof dat hem vertrouwd was los te laten (Genesis 12). Maar hoe hij daarna nog een keer moet kiezen: hij zou zijn zoon moeten ‘offeren’ (Genesis 22). Verhalen die, niet letterlijk gelezen (zoals religieuze teksten dat willen), ons uitnodigen: laten we mensen zijn, en dromen dus – maar laten we ook niet méér dan mensen zijn.